De Witte dovenetel ( Lamium Album)

De Witte dovenetel ( Lamium Album)

De witte dovenetel dankt zijn naam Lamium aan zijn bloemen in de vorm van een geopende muil. Lamium is in de Griekse mytho­logie een vriendinnetje van Zeus, wiens onwettig kind door de godin Hera – de gemalin van Zeus – uit woede en jaloezie om het leven werd gebracht. Lamia werd toen zo afgunstig op gelukkige moeders dat zij er toe overging hun kinderen te stelen en op te eten. Ondanks deze legende blijft de witte dovenetel een zeer onschuldig gewas. De witte dovenetel is een lid uit de familie der lipbloemige (Labiatae). De witte dovenetel is een oude medicinale plant. Meestal worden de bloemen verzameld, hetgeen moeilijk werk is. Wat gedroogd moet worden zijn de witte bloemkronen (Flos Lamiï) en die moeten bij het plukken gescheiden worden van de kelkbladeren. Hierbij mogen de bloem­blaadjes niet gekneusd worden anders worden ze snel bruin. De bloem moet goed gedroogd worden. Dat kan het beste met een kunstmatige warmtebron op ongeveer 40 gr. C. en wel zo snel moge­lijk. De te drogen bloemkronen dienen in een goed afgesloten bus of fles bewaard te worden omdat vochtige lucht de bloesem bruin kleurt en zo zijn werkzaamheid verliest. Hij heeft een honingachtige geur. Van de gedroogde blaadjes kan thee worden gezet, maar ook met andere kruiden kan een theemengsel worden gemaakt. In de volksgeneeskunde geldt de thee als bloedzuiverend middel. Ook wordt het aangewend bij prostaataandoeningen. Afkooksel van de bloemen en bladeren worden gebruikt voor het baden en koelen van wonden die slecht genezen. De scherp gezaagde bladeren van deze soort vertonen een zekere gelijkenis met die van de brandne­tel. Omdat hij echter de brandharen mist kreeg hij de naam dovenetel. Bloeiend zijn de planten gemakkelijk uit elkaar te houden. De witte tweelippige bloemen zijn zeer in trek bij hommels en bijen vanwege de onder in de kroonbuis verborgen nectar. De onderlip dient als landingsplaats. Onder de boven­lip bevinden zich de helmknoppen en de stempels. Wanneer een bij of een hommel zich in de bloem wringt strijkt de bovenkant van haar achterlijf onherroepelijk langs de helmknoppen en wordt met stuifmeel bedekt. Bij het bezoek aan een volgende bloem blijft dit dan weer aan de kleverige stempels zitten. De zaadjes worden bij de dovenetel door mieren versleept. Dat doen ze om de wittige olie-achtige aanhangsels onder aan de zaadjes; die eten ze graag op.

Dit ontstaat uit delen van de bloemas en de vruchtwand. De zaadjes worden meestal rechtstreeks uit de kelk gehaald en naar plaatsen gebracht waar de betrekkelijk zware zaadvruchten door de wind niet naar toe kunnen waaien, bijvoorbeeld op muren of bomen. 

De standplaats

Deze geneeskrachtige plant is een zeer algemeen voorkomende soort die we aantreffen in Nederland en België, bijna overal langs wegen, muren en hekken, in onkruidgezelschappen en op ruige plaatsen. De plant houdt van stikstof en groeit tot op een hoogte van 2.200 m. 

De bloeitijd

De witte dovenetel bloeit met witte tweelippige bloemen van april tot diep in de herfst vaak tot oktober. De bloem is wit. De donkerbruine helmknoppen liggen onder de helmvormige bovenlip.

De onderlip heeft twee kleine zijlobben en een grote diep uitgerande middelste lob. De kelkbladeren zijn tot een vijftandige buis vergroeid. De buis is iets langer dan de vier nootjes waaruit de vrucht bestaat. 

Wat te voeren?

In de natuur zijn er vele vogels die de zaden eten maar ook de jonge spruiten worden door fazanten en patrijzen gegeten. In de volière kunnen wij onze parkietachtige ook de jonge scheut­jes als groenvoer geven. De vierdelige afgeplatte splitvruch­ten worden door vele grote en kleine parkieten graag gegeten. Voor lorriekwekers heeft de witte dovenetel een extra. De nectar vinden de lorries heerlijk. Leg maar een bosje van die bloemen in de volière en u zult zien: ze eten er het laatste bloempje van op. 

Werkzame bestanddelen

Zijn geneeskrachtige werking heeft de witte dovenetel te danken aan slijm, looistoffen, glucocide, saponine, vluch­tige olie, suikers en kalium. De medische eigenschappen zijn: bloedstelpend, bloedzuiverend, ontstekingsremmend, samentrek­kend, wondhelend en zwellingverminderend. 

Welke vogels eten deze zaden?

Voor alle volièrevogels is er wel wat bij. Zoals gezegd zijn de lorries gek op nectar en bloemen. De wildzangvogels en de kromsnavels houden van jonge scheuten en zaden. De meeste vogels geven er de voorkeur aan om de zaden in halfrijpe toestand te verorberen, maar de droge zaden kunnen in de winter ook goed gevoerd worden. Als de zaden rijp zijn laat u de bloemtoppen goed drogen in de zon. Doe ze vervolgens in een plastic zak en trap de zaden eruit.

BRON: CLUBBLAD ZK_GENK Juli 2019

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *